Schriftlezing:

Habakuk 2: 1 – 20

Ik ga nu op mijn wachtpost staan, betrek mijn post op het bolwerk, kijk uit om te zien wat de HEER mij zal zeggen, wat hij mij antwoordt op mijn verwijt. Dit was het antwoord van de HEER. Schrijf dit visioen op, grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is. Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is, het getuigt ervan, het liegt niet. Ook al is het nog niet vervuld, wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven. Wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw. Zo bedrieglijk als de wijn is, zo hoogmoedig is deze man, maar hij zal zijn doel niet bereiken. Net als het dodenrijk spert hij zijn keelgat open, net als de dood raakt ook hij niet verzadigd. Hij verzamelt alle volken om zich heen, haalt alle naties naar zich toe. Iedereen zal spreuken op hem toepassen, spotliederen en raadsels. Ze zullen zeggen: ‘Wee hem die zich verrijkt met andermans goed en zo een steeds zwaardere schuld op zich laadt. Hoe lang gaat hij daar nog mee door?’ Denk je niet dat je schuldeisers plotseling zullen opstaan, dat je bedreigers wakker zullen worden? Dan word jij hun prooi! Je hebt vele volken geplunderd, andere volken zullen jou plunderen. Je hebt bloed vergoten, je hebt gewelddaden begaan tegen het land, de stad en haar bewoners. ‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis, zijn nest in de hoogte bouwt, om zo uit de greep van het onheil te blijven.’ Wat je van plan bent is je huis tot schande, door vele volken te vernietigen verspeel je je leven. Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur, en de balken stemmen ermee in vanuit het gebinte. ‘Wee hem die een stad bouwt op bloed en een vesting op onrecht.’ Is dit niet de wil van de HEER van de hemelse machten: volken zwoegen voor een verslindend vuur, landen matten zich af voor niets? Maar zoals de zee vol water is, zo zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn. ‘Wee hem die iemand te drinken geeft en daar gif aan toevoegt, die iemand dronken voert om hem naakt te zien.’ Vol van schande ben je, zonder eer; ook jij zult moeten drinken en je voorhuid laten zien. De rechterhand van de HEER reikt je de beker aan, schande over je eer! Het geweld tegen de Libanon zal je achtervolgen, de slachting onder de dieren zal je verbijsteren, net als het bloed dat je vergoten hebt en de gewelddaden die je hebt begaan tegen het land, de stad en haar bewoners. Wat heb je aan een godenbeeld, gebeeldhouwd door zijn maker? Aan een gegoten beeld dat leugens verkondigt? Wie vertrouwt zich nu toe aan wat hij zelf heeft gemaakt? Wat hij maakt zijn stomme afgoden! ‘Wee hem die tegen een stuk hout zegt: “Word wakker!” en tegen een stomme steen: “Sta op!”‘ Zal dat beeld iets verkondigen? Het is wel gevat in goud en zilver, maar er zit geen leven in. De HEER troont in zijn heilig paleis. Aarde, wees stil voor hem!(NBV)

Openbaring 1: 1 – 3

Openbaring van Jezus Christus, die hij van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet. Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes. Johannes maakt bekend wat God gesproken heeft en waarvan Jezus Christus heeft getuigd; dit heeft hij allemaal gezien. Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij.(NBV)

Openbaring 4: 1 – 11

Hierna had ik een visioen. Er stond een deur open in de hemel. De stem die me eerder had toegesproken met het geluid van een bazuin, zei nu: ‘Kom hierboven, dan laat ik je zien wat er hierna gebeuren moet.’ Op hetzelfde moment raakte ik in vervoering. Er stond een troon in de hemel en daarop zat iemand. Degene die daar zat had een uiterlijk als van jaspis en sarder, en rond de troon was een regenboog die eruitzag als smaragd. Om de troon heen stonden vierentwintig andere tronen, waarop vierentwintig oudsten zaten. Ze droegen witte kleren en hadden een gouden krans op hun hoofd. Van de troon gingen bliksemschichten uit en donderslagen en groot geraas. Voor de troon brandden zeven vurige fakkels; dat zijn de zeven geesten van God. Ook lag er voor de troon iets als een zee van glas, van kristal. Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren. Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar. Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant. Dag en nacht herhalen ze: ‘Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.’ Telkens als deze wezens lof, eer en dank brengen aan degene die op de troon zit en die tot in eeuwigheid leeft, werpen de vierentwintig oudsten zich neer voor hem die op de troon zit, en aanbidden hem die leeft tot in eeuwigheid, en leggen hun kransen voor zijn troon met de woorden: ‘U komen alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.'(NBV)

Tekst voor de preek:

Habakuk 3: 2

HEER, ik heb uw aankondiging gehoord. Voor wat u gaat doen, HEER, heb ik ontzag. Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon uw mededogen als het tumult losbarst.(NBV)